Ik ben geboren in mei 1945, enkele dagen na de bevrijding, op de Geestbrugweg in Rijswijk (ZH). Mijn ouders (zie foto rechts) waren Gerard Gijben en Marie Waardeloo. Ik had toen drie broers en één zus. Na mij zijn er nog twee broers geboren. Mijn vader had een eenmanszaak in groenten en fruit. Twee broers, een zwager en een neef van mijn vader handelden ook in groenten en fruit.
Achter de winkel was een woongedeelte met twee slaapkamers en een kleine woonkamer. Ik moest altijd door de winkel om in het woonhuis te komen. De kamers waren verbonden door een lange smalle gang met maar één lichtpunt. Aan het eind in het donkerste gedeelte was de WC, vlak naast de deur van de winkel. Als klein kind vond ik het heel eng om in het donker naar de WC te gaan. Een inbreker kon vanuit de winkel zo de gang in. Voor inbrekers werd ik voortdurend gewaarschuwd. De winkeldeur moest ook altijd goed op slot.
De eerste foto (links) waar ik op sta, is gemaakt op 2de Pinksterdag in 1947. Op zondag liepen we vaak naar Effatha in Voorburg. Bij het gelijknamige Doveninstituut lag een klein park met o.a. prachtige oude rode beuken. In de herfst kon je er naar beukennootjes en paddenstoelen zoeken. Op de foto ben ik het jongetje links met de zwarte bretels. De baby met het mutsje is mijn jongere broer met wie ik ook op de volgende twee foto's sta.
In de zomer speelden mijn broer en ik vaak samen in de speeltuin aan de Penninglaan. Om in de speeltuin te komen moest je door een poortje dat 's ochtends open werd gemaakt en 's avonds weer werd gesloten. Er waren een zandbak, schommels, wippen en een klimrek gemaakt van houten stammetjes. Op de foto rechts ben ik het jongetje rechts.
's Winters was de speeltuin gesloten en speelden we veel op straat. De foto links is gemaakt op de Penninglaan tegenover de ingang van de speeltuin. We gingen niet graag verder de Penninglaan op. Aan het eind kwam je namelijk bij eierhandel Nigten. Aardige mensen maar wel met een hobby die we toen niet leuk vonden, ze hielden namelijk hazewindhonden die gebruikt werden om te racen. Zo nu en dan liep er wel eens één op straat. Berucht was Tippy, een grote blauwgrijze hond die met zijn grote bek ongeveer op de hoogte van mijn gezicht stond te grommen. Zelf ben ik niet gebeten maar mijn broer wel.
Op de foto sta ik links van mijn broer. We droegen toen mutsjes die mijn moeder zelf gebreid had. Ook sokken, truien, handschoenen en dassen werden door haar gebreid.
Mijn broer was toen nog kleiner dan ik, maar later groeide hij sneller. Een tijdje zijn we even lang geweest en veel mensen dachten dat we een tweeling waren.
Op de foto rechts sta ik met een oudere broer op de Broekslootkade. We woonden in Rijswijk maar gingen in Den Haag naar de Gerardus Majella school omdat deze school bij de parochie hoorde. 's Ochtends en 's middags moesten we een heel stuk lopen en tussen de middag gingen we ook naar huis om warm te eten. In het begin liep ik mee met mijn oudere broer. Later kreeg ik een oude damesfiets met houten blokken aan de pendalen (anders kon ik er niet bij) en een groot bromfietszadel (geen gezicht maar het zat wel lekker). Het was niet toegestaan om met de fiets naar school te komen, dus moest ik de fiets een stuk van school wegzetten. Bovendien moest ik goed opletten dat ik niet gezien werd.
Samen met een oudere broer ging ik naar de School- en Kindertuinen op de Wegastraat in Den Haag. Op de foto links sta ik met een hark in de hand. Op de Schooltuin leerde ik hoe je moest harken, zaaien, schoffelen, onkruid wieden en oogsten. Het laatste was het leukst omdat ik soms de oogst van het schooltuintje kon verkopen aan mijn vader. Dit was één van de manieren om aan geld te komen. Andere manieren waren het rondbrengen van bestellingen, waarbij je soms een fooi kreeg en het verzamelen van oud papier. Klanten brachten vaak hun oud papier naar mijn vader. De kranten werden door mijn vader gebruikt om de groenten in te pakken. De rest van het papier zoals tijdschriften en karton, mocht ik verkopen. In het najaar verzamelde ik de plankjes van de sinaasappelkisten. Deze plankjes werden op maat gezaagd en daarna met een bijl in kleine stukjes gehakt. Deze stukjes pasten precies in een papieren zak. Ze werden door mijn vader verkocht als aanmaakhoutjes. Mensen hadden toen nog kolenkachels die ze iedere dag moesten aanmaken.
De schooltuinen waren bedoeld voor leerlingen van de lagere school maar ik vond het zo leuk dat ik nog steeds een tuintje had toen ik al op de Mulo zat.
De foto rechts is gemaakt op de lagere school. Het is eigenlijk een zwart-wit foto, maar de fotograaf bracht er achteraf de kleurtjes op aan. Hij moet wel ergens genoteerd hebben welke kleur mijn overhemd en vest hadden. De kleuterschool heb ik, net als mijn broers en zus overgeslagen. In het eerste jaar kreeg ik les van juffrouw Rave en in het tweede jaar van juffrouw Vroomans. In de derde klas had ik meester Stam die meesterlijk kon vertellen en voorlezen, je geloofde werkelijk alles wat hij zei. Hij had echter een slechte gewoonte. Zijn aanwijsstok was halverwege afgebroken en aan het uiteinde zat nu een gemene, scherpe punt. Met dit moordwapen dreigde hij je in de zij te prikken. Ook pakte hij je oor vast en trok je zo uit de bank.
De Gerardus Majella School was een jongensschool. De speelplaats achter de school was omgeven door een hoge stenen muur en een hoge houten schutting. Door de spleten konden we naar de speelplaats van de meisjes kijken. Wanneer het hard vroor probeerden we ijsvrij te krijgen. We stampten dan met zijn allen met onze schoenen tegen de schutting en riepen: "Wij willen ijsvrij. Wij willen ijsvrij." Of dit ooit geholpen heeft, kan ik me niet meer herinneren.
Echt speelgoed had ik nauwelijks. Meestal moest ik mijn fantasie gebruiken. Een aantal stoelen achter elkaar vormden een trein. Van lege groenten- en fruitkisten maakte ik op de stoep boten en hutten. Gelukkig hadden we een brede stoep met in het midden een kuil, een overblijfsel uit de tweede wereldoorlog. Er had daar een grote boom gestaan, maar deze was in de oorlog omgehakt en opgestookt in de kachel. De kuil kon je gebruiken om na een regenbui, papieren bootjes in te laten varen. Ook werd hij gebruikt bij het knikkeren.
Fantasie had je ook nodig bij feesten. Voor verjaardagen maakte ik slingers door reepjes papier, als een ketting aan elkaar te plakken. Feesthoedjes kon je van gekleurd karton maken. Dit etalagekarton hadden we thuis omdat mijn vader het gebruikte om prijskaartjes te maken.
Op 5 december verkleedde ik mij als Sinterklaas (zie foto links). Ik had een wit laken om en daar overheen een rood fluweelachtig tafellaken (deze beschrijving heb ik niet van Toon Hermans). De mijter was gemaakt van karton, de staf was een oude bezemsteel met een krul van karton, de baard was een stukje wit kunstbont en de snor was een pluk watten. De zwarte piet op de foto was mijn jongste broertje.
Toen ik iets ouder was, maakte ik ook een zeepkist van planken en de wielen van een oude kinderwagen. Je kon er wel mee sturen maar er zat geen rem op. Het vervelende was dat je de zeepkist altijd moest trekken. Je kon wel van de brug af naar beneden maar dit was te gevaarlijk omdat er teveel verkeer overheen ging.
Op de foto rechts zitten de vier jongste kinderen van ons gezin voor het huis op de Geestbrugweg. Zelf zit ik helemaal aan de linkerkant. Op de achtergrond is te zien dat de weg omhoog liep. Over de Geestbrugweg liep een tramlijn van de HTM. Boven de Geestbrug ontbrak de bovenleiding zodat de tram voldoende vaart moest maken om zonder stroom over de brug te komen. Bij ijzel kwam het wel eens voor dat het niet lukte en dat de tram midden op de brug tot stilstand kwam. Een ander tramstel moest hem er dan vanaf duwen.
In de vakantie gingen we soms een dagje naar de duinen, het strand of pretpark Drievliet, dat op loopafstand van ons huis lag. Eén keer ben ik verder weg geweest, een dagje naar Artis. Dit was voor mij een soort wereldreis. Het bewijs van dit uitstapje staat hiernaast, de foto links. Van de oppasser mocht ik een ritje maken op een jonge olifant. Ik voelde me toen net Tarzan. Veel later las ik dat deze olifant (Murugan) op 4 juni 2003 in Artis is gestorven. Hij was toen 50 jaar oud.

Van jongs af aan had ik belangstelling voor dieren. In onze keuken zat een tortelduif, in de huiskamer een kanarie en achter in de schuur zaten eerst konijnen (voor de Kerst) en later duiven. Op de foto rechts heb ik een postduif in mijn hand en mijn jongste broertje kijkt toe.
Soms had ik ook kleine vissen in een teil. Die ving ik met een schepnetje of een hengel in de Vliet.
Mijn eerste eigen huisdier was een witte muis die ik stiekem gekocht had en onder mijn bed in een ouderwets koekblik verborgen hield. Dit ging enkele dagen goed totdat mijn zus gillend uit de huiskamer kwam omdat daar een witte muis liep. De muis heb ik toen weg moeten doen.
In februari 1957 kregen mijn twee jongere broertjes en ik difterie. De jongste van vier jaar, was al snel overleden en het scheelde niet veel of ik was hem gevolgd. Samen met mijn andere broer werd ik thuis in quarantaine gehouden. Het duurde vrij lang voordat ik genas. Tijdens mijn ziekte maakte ik voor het eerst kennis met Suske en Wiske. Voor de afleiding kreeg ik een aantal albums. Als bijverschijnsel van difterie kon ik moeilijk lopen, mijn benen waren bijna verlamd. Dit heeft heel lang geduurd maar is gelukkig niet blijvend geweest. Door de medicijnen en weinig lichaamsbeweging nam ik flink toe in gewicht. Dit is nog te zien aan mijn bolle wangen op de foto links.
De gevolgen van de ziekte waren wel verstrekkend voor de rest van mijn leven. Ik zat in de zesde klas van de lagere school en miste bijna de hele laatste periode. In deze periode waren de toelatingsexamens voor de middelbare school. Doordat ik deze examens niet gemaakt had, werd ik niet toegelaten op de Mulo in Rijswijk, de school waar mijn oudere broers op gezeten hadden. Er zat niet anders op dan dat ik de speciale zevende klas deed. Mijn vader was het daar niet mee eens en vond in Voorburg de RK ULO St. Maarten waar ik wel toegelaten werd.
Na het mislukken van het houden van een witte muis had ik voor mij zelf geen huisdier. Met Pasen zaten in de etalages vaak kuikens, ik kon de verleiding niet weerstaan en heb er twee gekocht. Deze mocht ik wel houden, hoewel iedereen mij voor gek verklaarde. Met een gewone gloeilamp heb ik ze warm kunnen houden en uiteindelijk werden het twee tamme haantjes (zie foto links), die achter op ons plaatsje mochten rondlopen.
In die tijd dat ik op de ULO zat, was het heel gewoon om in een colbertjasje naar school te gaan. De kraag van je overhemd moest wel over de kraag van je jasje. Meestal zat er brylcreem of haarversteviger in je kapsel. Het was de tijd van de vetkuiven en nozems. Mijn kapsel was niet zo opvallend (zie foto rechts).
We woonden op de grens van Rijswijk en Voorburg en dus was de afstand naar de ULO niet eens zo heel erg groot. Het enige probleem was dat ik over een brug moest die geregeld open ging en een spoorlijn waar voortdurend treinen reden. Zo nu en dan had ik pech en duurde alles langer dan normaal. Hierdoor kwam ik dan te laat op school. Toen ik eenmaal zestien was, kon ik met de oude brommer (een Berini) van mijn vader naar school.
Het hoofd van de ULO was meneer Kokshoorn; in mijn herinnering een aardige man (waarschijnlijk omdat hij mij zonder toelatingsexamen had aangenomen).
Zijn opvolger was meneer Ritchie, die je iedere dag bij de deur stond op te wachten. Hij controleerde dan of je wel over de hele lengte van de lange mat, je voeten veegde. Een onduidelijke veegbeweging was niet voldoende, je moest dan weer van voor af aan beginnen of je mocht na schooltijd de gang schoonmaken. Nog steeds zal ik automatisch mijn voeten vegen als er een mat ligt.
Op de RK ULO St. Maarten zaten alleen jongens. Pas in de derde klas kwamen er door een fusie ook meisjes bij. Op de foto rechts staat de derde klas. Je kunt nog zien dat het eigenlijk twee groepen leerlingen waren, afkomstig van twee verschillende scholen. De meisjes staan links en de jongens rechts. Zelf sta ik op de eerste rij de 4e persoon van rechts.
Samen met twee andere leerlingen deed ik het Mulo-B examen. Je moest dan ook examen doen in tekenen. De lessen werden gegeven door meneer Merks. Je moest kiezen voor een bepaalde techniek, bv. houtskool. Meneer Merks koos voor het maken van een stilleven met krijt. Dit stilleven was een vaas of pot. Het eindexamen vond plaats ergens in Den Haag, tegelijk met de mondelinge examens. Eigen leraren waren daar niet bij. Toen ik examen tekenen wilde doen, ontstond er paniek bij de examinatoren, ze hadden geen vaas of pot. Niemand deed waarschijnlijk deze techniek. Het examen was allang begonnen toen ik eindelijk toch een potje kreeg dat ik na kon tekenen. Met een zes voor tekenen ben ik uiteindelijk geslaagd.
Met mijn Mulo-B diploma werd ik toegelaten in de vierde klas HBS-B van het Sint Maartens Lyceum in Voorburg. Een heel andere school met alleen noodbouw. We hadden geen eigen lokaal maar waren wandelklas en liepen bij iedere leswisseling door het hele gebouw heen, een prettige onderbreking.
In mijn herinnering waren het allemaal aardige leerlingen. Ik kan mij eigenlijk van mijn hele middelbare schooltijd niemand herinneren die gepest werd. Misschien dat het wel gebeurde maar dat ik de herinnering ver weg heb gestopt. Het waren in die tijd hele kleine klassen, zo klein dat bij de taallessen de leerlingen van HBS-A en HBS-B bij elkaar zaten.
Op de foto links staat de vierde of vijfde klas. Zelf zit ik gehurkt op de eerste rij, tweede van rechts.
Leuke herinneringen heb ik nog aan de scheikundelessen van meneer Bik. Bij het practicum moest je beschermende kleding dragen. Zelf had hij natuurlijk een witte laboratorium jas. De meeste leerlingen namen echter van thuis een schort of iets dergelijks mee. Mijn moeder had een schort met bloemetjes en allerlei randjes. Ik vond het een prachtig gezicht om alle andere leerlingen ook in vreemde schorten te zien. Je kreeg er bijna een carnavalsgevoel van.
Op het Sint Maartens Lyceum heb ik voor het eerst carnaval gevierd. Uit het bovenstaande stukje over het scheikundepracticum kun je opmaken dat ik verkleden leuk vond. De carnavalskleding was wel heel erg beperkt (zie foto rechts). Ik had een grijs pak aan, een bolhoed op (dezelfde waarmee mijn vader op zijn trouwfoto staat), een zakdoek om mijn nek en een brilletje met neus en kriebelende snor. Van het feest zelf kan ik mij niets meer herinneren. Later, toen ik verloofd was, heb ik het echte carnaval leren kennen in Boxtel, het Eendengat.
Nadat ik mijn eigen bromfiets had, kon ik verder weg en zodoende kwam ik op judoles bij sportschool Wagner in Den Haag. Op de foto links is trainer Wagner de man met de baard op de eerste rij. Zelf sta ik op de achterste rij, vierde van rechts. Op de foto staat ook de jeugdploeg van Portugal die op dat moment in Den Haag was om deel te nemen aan het Europees kampioenschap. Deze Portugezen waren zo goed dat ik bij oefenpartijtjes alle kanten van de dojo heb gezien.
Op mijn brommer ging ik vaak naar de bioscoop, meestal doordeweeks. In die tijd had ik een enorme hekel aan films als: The Sound of Music en Westside Story. Bijna alle bioscopen hadden maar één zaal en dus werd er doordeweeks maar één film gedraaid. The Sound of Music en Westside Story draaiden meer dan een jaar en daardoor werd de keuze aan films beperkter. Gelukkig had je in Den Haag een behoorlijk aantal bioscopen.
Na het behalen van mijn diploma ben ik met een aantal leerlingen van school naar een kamp van de Bouworde geweest. We moesten in Baye sur Marne (Frankrijk) een oud gebouw helpen ombouwen tot een retraitehuis. Op de foto rechts sta ik op houten klompen en met een pet op van de bouworde. Het was de eerste keer dat ik een reis maakte naar het buitenland en mijn geleerde Frans in de praktijk kon brengen. Baye sur Marne lag in de champagnestreek, dicht bij Reims. Op een vrije zaterdag ben ik liftend naar de champagnekelders van Moët et Chandon in Reims gegaan, waar je een rondleiding kon krijgen. Na afloop heb ik hier voor het eerst champagne gedronken.
Op school was geen voorlichting over je verdere studie. Het enige wat ik mij kan herinneren was een kort gesprek met de rector op zijn kamer. Hij vroeg toen wat ik wilde gaan doen. Aangezien ik hoge cijfers had voor wiskunde, zei ik dat ik wiskunde wilde gaan studeren in Leiden. Dat vond de rector een goed idee en toen was het gesprek afgelopen. Deze studiekeuze was achteraf gezien niet erg gelukkig. Wiskunde aan de universiteit was veel saaier dan op de middelbare school. Al na enkele maanden ben ik gestopt. Ik had wel geleerd dat je iets niet moet kiezen alleen omdat je er goed in bent. Mijn laagste cijfer op de eindlijst was een zes voor biologie en juist van dit vak heb ik later mijn beroep gemaakt.
Na het stoppen met mijn kortstondige studie moest ik in dienst. Ik had wel drie oudere broers maar één ervan had vrijstelling gekregen, zodat ik geen aanspraak kon maken op broederdienst. Begin 1965 kreeg ik thuis bezoek van een wachtmeester (sergeant) van de Marechaussee. Deze wachtmeester kwam mij vragen of ik als dienstplichtige mijn opleiding bij de Marechaussee wilde doen. Ik was één van de uitverkorenen. Tegen een voorstel van zo'n man, in zijn indrukwekkende uniform zeg je natuurlijk geen nee.
Op 1 april (zo'n datum vergeet je niet snel) moest ik opkomen in de Koning Willem III kazerne in Apeldoorn. Daar kreeg ik mijn militaire kleding. Er waren maar twee maten, te groot en te klein, dus paste het nooit. Na het bezoek aan een kapper die alleen met een tondeuse kon werken, werd een pasfoto (zie foto links) gemaakt voor mijn militair paspoort. De foto zou je zo kunnen gebruiken voor een aanplakbiljet met er onder de tekst: "Gezocht".

De eerste dag moest ik mijn matras vullen. Een grote blauw-wit geruite zak moest stevig gevuld worden met stro. Deed je er te veel stro in dan rolde je 's nachts van je matras, deed je er te weinig in dan kon je de matras niet strak trekken.
Ik kreeg geen lakens maar alleen een paar wollen dekens. Deze dekens waren zo ruw dat ze wel geschikt waren om over een paard te gooien maar niet voor mijn tere huid. Ze kriebelden ontzettend.
Tijdens de opleiding was er een overlevingstocht (zie foto rechts) waarbij je voortdurend slootjes en kanalen in moest om maar nat te blijven. Het eten bestond uit enkele rauwe aardappels die je in je buitenhelm moest koken. Ik heb het overleefd maar vraag niet hoe.

Als je bij de marechaussee opkwam, mocht je als dienstplichtige een pet dragen. Andere soldaten moesten een baret op. Op de foto links staan we dan ook trots ons uitgaanstenue te tonen. Behalve de pet hadden we ook al een koordje om de schouder. Ik zit links vooraan. In de opleiding probeerden veel mensen afgekeurd te worden. Zo werd een boom van een kerel, kampioen judo in Drente, afgekeurd omdat hij niet lang in een schuttersputje kon staan, want dan kreeg hij last van zijn rug. Een beproefde methode waarvan ik meerdere pogingen heb meegemaakt, was het slikken van een buisje aspirine. Je werd dan gegarandeerd afgekeurd met S5. Later heb ik met eigen ogen gezien welke invloed aspirine op de maag heeft, het was echt levensgevaarlijk.
Tijdens mijn opleiding kreeg ik te horen dat ik 3 maanden langer moest dienen want iemand van de marechaussee was een specialist. Dit hadden ze me van te voren niet verteld. Aangezien ik per dag omgerekend ongeveer 50 eurocent verdiende en om de 14 dagen mijn reis naar huis zelf moest betalen, wilde ik zo snel mogelijk uit dienst. Dus moest ik bij de marechaussee weg. Dit ging heel gemakkelijk, op verzoek kon je na de basisopleiding zo overgeplaatst worden naar een ander onderdeel. Zo kwam ik uiteindelijk terecht in Ermelo waar ik mijn diensttijd heb uitgezeten als jeepchauffeur.
Volgens sommige mensen wordt er in je diensttijd een man van je gemaakt. Ik heb dat nooit begrepen. Als ik onder douche stond en naar beneden keek, was ik al een man. Wat ik wel geleerd heb, is iets vanzelfsprekends als een normale matras met lakens, meer te waarderen. Verder dat je moet oppassen voor uiterlijk vertoon bij gezagsdragers. Ik laat mij hierdoor niet meer misleiden.
Na mijn diensttijd van 18 maanden begon het echte leven. Mijn eerste baan was bij de Gistfabriek in Delft. Daar werden behalve gist en alcohol ook geneesmiddelen zoals antibiotica gemaakt. Op het farmacologisch laboratorium werd een Zoölogisch Analist gevraagd. Het was een vrij nieuw lab met veel jonge mensen. De Gistfabriek stimuleerde op allerlei manieren het volgen van vervolgopleidingen dus was ik al snel leerling analist. De pasfoto links is van het pasje dat je nodig had om naar binnen te komen.
In het begin werkte ik veel met proefdieren. Op een bepaald moment was er een grote proef met eendenkuikens. Deze werden gebruikt om te onderzoeken of een nieuw geneesmiddel wel of niet giftig was. Er waren een paar eendenkuikens te veel besteld en dus mocht ik er twee meenemen naar huis. Mijn moeder had een volkstuin waar de eenden zich voorspoedig ontwikkelden. Het bleken witte, mannelijke loopeenden te zijn (zie foto rechts).
Toen de eenden volgroeid waren, besloot ik ze los te laten in het smalle slootje om de volkstuin. Gelukkig hield ik ze goed in de gaten, ik zag ze namelijk steeds dieper in het water wegzakken. Uiteindelijk heb ik ze gered met een schepnet. Het bleek dat de vetklier die vet produceert voor de veren, nog niet goed werkte. Na enige keren zwemmen ging het echter steeds beter. Een groot probleem was om de eenden weer terug te krijgen in hun afgezette stukje tuin. Dit lukte uiteindelijk heel gemakkelijk met een kip die ik ook had. Als ik de kip in mijn handen hield en haar liet zien, kwamen de twee mannetjes eenden direct op haar af gerend (ja zo zijn mannen). Zo kwamen ze iedere keer weer netjes terug.

Al vrij snel werd mij gevraagd om de afdeling Histologie over te nemen. Hier moest ik sectie doen op dieren, de organen bewaren en zodanig behandelen dat ze onder een microscoop konden worden bekeken. De patholoog-anatoom kon dan bepalen of er afwijkingen aan de organen waren.
Op de foto links ben ik plakjes van een orgaan aan het snijden. Dit was nauwkeurig werk want deze plakjes waren 0,005 mm dik. Daarna moest ik deze plakjes kleuren. Hier waren een heleboel mogelijkheden voor. De patholoog-anatoom gaf meestal aan welke kleuringen hij wilde hebben.
Eigenlijk was dit een ideale baan voor mij. Ik had mijn eigen ruimte en moest zelf al mijn werk indelen en plannen. De enige eis was dat de plakjes op tijd bij de patholoog-anatoom moesten zijn.
In 1969 besloot ik om aan de studie MO-biologie te beginnen. Het jaar ervoor was ik verloofd en de afdeling Histologie bood op de lange duur geen uitzicht op een beter betaalde baan. De studie biologie werd de eerste drie jaar op de woensdagmiddag en de hele zaterdag gegeven aan de universiteit Utrecht. Daarna moest ik nog twee jaar fulltime onderzoek doen.
Een jaar later trouwde ik (zie foto links) met Janny Mulder. Janny werkte in hetzelfde laboratorium als ik. Ze werkte er een week voordat ik er kwam. Mijn trouwfoto is de laatste foto waarop ik geen baard heb. Na mijn trouwen heb ik mijn baard laten staan. In de eerste jaren haalde ik wel mijn snor weg.
Op de foto rechts heb ik deze baard. Op de foto staat ook mijn oudste zoon. Deze is wel op een vervelend tijdstip geboren, namelijk 4 uur 's nachts in een kraamkliniek in Scheveningen. Ik had die nacht dus niet geslapen. Het vervelende was dat ik 's morgens om 10 uur een belangrijk mondeling tentamen moest afleggen in Utrecht. Gelukkig was ik nog op tijd in Utrecht en heb met succes het tentamen gehaald. Dus achteraf was het dubbel feest.
Mijn oudste zoon had vlak na zijn geboorte een dikke laag witte huidsmeer. Mijn jongste nichtje zag dat en riep ontzet uit: "Kijk, hij is beschimmeld". Op de foto is daar natuurlijk niets meer van te zien.
In 1972 moest ik ontslag nemen en hele dagen aanwezig zijn in Utrecht. Mijn hoofdonderzoek was bij de afdeling Endocrinologie (hormonen) op het Jans Kerkhof. Ik deed daar onderzoek aan de hersenen van de larve van de klauwpad. Deze larven konden zich aanpassen aan een lichte of donkere ondergrond. De bedoeling van het onderzoek was om te achterhalen welke delen van de hersenen daar voor verantwoordelijk waren. Heel nauwkeurig werd bij een verdoofde larve een klein stukje hersenen uitgeschakeld met een elektrisch stroompje. Daarna werd gekeken of de larven zich nog konden aanpassen en als laatste werd bepaald welk deel van de hersenen was uitgeschakeld. Dit laatste gebeurde door de hersenen in dunne plakjes te snijden zodat ze onder een microscoop konden worden bekeken. Dit ging mij natuurlijk gemakkelijk af omdat ik als analist jarenlang iets vergelijkbaars had gedaan.
De foto rechts is gemaakt tijdens een sinterklaasfeest op het lab in Utrecht. Twee dierenverzorgers die in de kelder waren natgespoten, mochten met waterpistooltjes wraak nemen op hun twee collega's. Zittend op de tafel (rechts), geniet ik (net als Sinterklaas) van het schouwspel.
Uiteindelijk haalde ik in 1974 mijn akte MO Plant- en Dierkunde. Ik was toen bevoegd om op de middelbare school les te geven.
Een baan vinden viel niet mee. Er waren genoeg vacatures maar daarbij ging het meestal om een beperkt aantal uren. Het eerste jaar gaf ik les op het ROS in Rijswijk en op de Scholengemeenschap Best. De foto links is in een leslokaal van het ROS gemaakt. Mijn jongste zoon werd geboren en ik verhuisde al snel naar Boxtel. Het tweede jaar kreeg ik een volledige betrekking in Best. Het waren bijna alleen 1e en 2e klassen.
Het eerste jaar was wel even wennen. Ik weet nog goed dat ik de eerste keer strafwerk opgaf aan twee brugklassers. Ze moesten iets overschrijven. Toen ze dat de volgende dag inleverden, bleek het een enorme hoeveelheid te zijn. Ze schreven niet zo snel en waren er uren mee bezig geweest. Ik heb ze mijn verontschuldigen aangeboden en ze een grote reep chocolade gegeven. Overschrijven heb ik daarna nog maar heel zelden laten doen.
In Best was ik klassenleraar van een brugklas. Met sinterklaas werden er surprises gemaakt. Hiernaast rechts, sta ik met een surprise (microscoop) die gemaakt was door een brugklasser.
De foto rechts is gemaakt tijdens een jubileum in Best. Je kon je verkleden met oude kleding die verzameld was. Zo'n kans moest ik natuurlijk benutten. Op de foto links heb ik nettere kleding aan, een pak met wijde pijpen en brede revers, een overhemd met kleine bloemetjes en een knalrode brede das. Later heeft mijn zoon (die ook op de foto staat) hetzelfde pak gedragen toen hij moest optreden in een musical van de laatste klas van de basisschool.
In Best waren nog geen hogere klassen Havo. Toen er in 1976 een vacature vrij kwam op het Zwijsen College in Veghel (een havo-vwo school) heb ik gesolliciteerd en werd ik direct aangenomen. Ik verhuisde naar Veghel en werkte tot mijn pensionering op deze school.
Vanaf 1975 heb ik in de avonduren, een aantal jaren op het Avondcollege Den Bosch gewerkt. De moedermavo werd die ook wel genoemd. In het begin was het tweede kans onderwijs, volwassen mensen die niet de gelegenheid hadden gehad om te studeren. Deze personen waren zeer gemotiveerd. Later kwamen er meer leerlingen die mislukt waren op de dagschool en alsnog een diploma wilden halen. Hun motivatie was vaak minder. Soms gaf ik les aan maar een paar leerlingen omdat de rest moest werken. Het kwam ook voor dat vrouwen hun breiwerkje mee namen. Ik heb daar nooit iets van gezegd. Gek genoeg haalden ze toch goede cijfers. Dat zal wel gekomen zijn door de goede uitleg van de docent, denk ik dan maar.
Op het Zwijsen College gingen de brugklassers aan het eind van het eerste jaar op een kamp. De jongens en meisjes apart. De foto rechts is gemaakt tijdens zo'n kamp in Lage Mierde.
Ook werd ieder lustrum gevierd. In 1978 was er o.a. een soort open dag. In de hele school vonden allerlei activiteiten plaats. Zo was er ook een judodemonstratie. Op de foto links neem ik een leerling in een heupworp.
Mijn eerste ervaringen met judo op school zal ik niet snel vergeten. Op de een of andere manier had een leerling uit 4 havo mij uitgedaagd voor een wedstrijdje. Ik deed al lang niets meer aan judo omdat ik geen draaiende bewegingen met mijn knie kon maken. Toch nam ik de uitdaging aan. Na de biologieles ging de hele klas naar de gymzaal waar matten waren neer gelegd. De wedstrijd begon en op een bepaald moment kwamen we beide op de mat terecht. Daar zette ik een verwurging in. Normaal tikt dan de tegenstander af, maar dat gebeurde niet. Ineens voelde ik dat de leerling niet meer bewoog. Ik liet snel los en gelukkig kwam hij weer bij. Hij wilde direct weer doorgaan. Achteraf hoorde ik dat hij maar tot zijn 13de jaar op judo had gezeten en verwurgingen mochten op die leeftijd niet gedaan worden. Ik zag echter iemand van 17 waarbij het wel mocht. Gelukkig is alles toch nog goed afgelopen.
Bij een van de vele vieringen van jubilea had men bedacht dat het leuk zou zijn als iedere sectie een toneelstukje zou opvoeren. De biologiesectie deed een soort persiflage van een middeleeuws stuk. Dit verklaart mijn overdadige make-up met de nadruk op de lipstick van de HEMA. Voor mensen die denken, alweer een verkleedpartij, er komen geen foto's meer waar ik verkleed op sta.

Heel anders zie ik eruit op de foto rechts. Ik ben loper 1100. Deze foto is gemaakt tijdens mijn eerste marathon in 1981. Ik kon dan wel niet meer judoën maar hardlopen ging nog goed. Mijn eerste marathon liep ik in Apeldoorn. Ik kon mij omkleden in de Koning Willem III kazerne, een plaats waar ik niet zulke goede herinneringen aan had. Ik was er gelegerd toen ik in militaire dienst moest opkomen bij de Marechausse. Gelukkig heb ik deze marathon wel goed uitgelopen.
Later heb ik nog meer marathons gelopen, de snelste was in Utrecht met een tijd van 3 uur en 3 min. Echte wedstrijden liep ik niet, het waren allemaal trimlopen. Toch heb ik één keer een marathon gewonnen. Op Koninginnedag hadden ze in Sint-Oedenrode bedacht dat er een hele en halve marathon zouden worden gelopen. Ik had in dat jaar de marathon van Utrecht gemist en liep daarom maar in Sint-Oedenrode. De eerste ronde liepen er nog een heleboel mensen voor mij, maar in de tweede ronde liep ik ineens achter de wagen die de tijd aangeeft van de 1e loper. Ik werd door niemand meer ingehaald en won dus. Tja in het land der blinden is eenoog koning. De beker heb ik nog als bewijs. De loper die tweede werd, kwam bijna een kwartier na mij binnen. Het was tot nu toe, de eerste en tevens laatste hele marathon in Sint-Oedenrode.
Op het Zwijsen College zijn waarschijnlijk collega's geweest die vonden dat ik een lesboer was. Een denigrerende aanduiding voor iemand die uitsluitend bezig is met lesgeven. Zelf ben ik er trots op dat ik een lesboer was. Lesgeven was voor mij het belangrijkst en ik wilde het ook zo goed mogelijk doen. Een leerling moest hoofd- en bijzaken van elkaar onderscheiden, overeenkomsten en verbanden zien tussen verschillende onderwerpen en weten hoe hij met zijn kennis verschijnselen om zich heen kon verklaren. Ik heb zelf een hekel aan zinloos uit je hoofd leren, maar soms was het vereist voor het eindexamen en moest het toch gebeuren.

Soms had je wel eens een klas waarmee het beter klikte dan normaal. In 1986 was dat het geval. Op de foto links krijg ik een "onderscheiding" op de laatste schooldag. Eindexamenkandidaten gingen op die dag de leslokalen in, op zoek naar leraren, om ze te bedanken. In dat jaar heb ik voor al mijn leerlingen uit V6f een levensboom gemaakt (zie foto rechts). Ze kregen die levensboom bij de diplomauitreiking. Het was niet de eerste keer dat ik zo iets deed. Voor de deelnemers van de brugklaskampen had ik al andere figuurtjes gemaakt als herinnering.

Het Zwijsen College was een grote school met verschillende vleugels die aan elkaar gebouwd waren. Er waren vijf biologiedocenten en maar twee biologielokalen, zodat ik vaak door het hele gebouw heen moest lopen. In het begin droomde ik wel eens dat ik de weg kwijt was en niet op tijd in het lokaal was zodat de leerlingen al weg waren. Bij de leswisseling was het soms een complete chaos op de gangen, vooral in de hal waar meerdere gangen bij elkaar kwamen. Ik moest vaak trappen op en af lopen met een skelet of met andere modellen. Een collega vond het minder leuk om met een blote vrouwentorso langs de leerlingen in de gang te lopen. Hij kreeg dan allerlei opmerkingen van leerlingen. Om dit te voorkomen deed hij een plastic zak over de torso. Zover ben ik nooit gegaan, hoewel ik wel oplette dat ik de torso op een gepaste manier vast hield.
In het onderwijs wordt "Het ei van Columbus" vaak uitgevonden. Voortdurend zijn er maatregelen die het onderwijs moeten verbeteren. Aan die maatregelen zijn natuurlijk voordelen verbonden, maar zo als altijd ook nadelen. Na enige tijd worden deze nadelen weer belangrijker en komen er nieuwe maatregelen die de zaak weer gedeeltelijk of helemaal terugdraaien: vroeger was het beter.
De grootste verandering die ik heb meegemaakt, was de invoering van de tweede fase in 1998. De docent moest meer een soort begeleider worden van het leerproces. Leerlingen moesten zelfstandiger worden, want dat was nodig bij een studie aan een universiteit of Hoge School. Vooral de computer kon daar een belangrijke rol bij spelen. Al een aantal jaren had ik veel ervaring opgedaan met internet. Links staat een programma dat in 1998 gebruikt werd door mijn leerlingen.
Met behulp van mijn kennis op ICT-gebied heb ik geprobeerd om een complete digitale leeromgeving te maken voor de hoogste klassen van het vwo. Uiteindelijk is dat in 2004 gelukt, ik had mij zelf bijna overbodig gemaakt.
De leerstof stond in zijn geheel (niets te veel of te weinig) op de computer. Schema's die ik normaal gesproken op het bord tekende, stonden er in. Termen die een leerling niet meer paraat had (aangegeven met blauw), kon hij aanklikken, waarna er een uitleg verscheen. Hieronder staat een gedeelte van deze "website" die op het netwerk stond van de mediatheek.
Leerlingen mochten zelf studeren in de mediatheek of ze konden mijn uitleg volgen. Na het bestuderen van de leerstof moesten opdrachten gemaakt worden. De antwoorden waren ook beschikbaar en bovendien stond er een duidelijke uitleg bij (zie voorbeeld hieronder). Leerlingen hadden nog wel een boek omdat er soms geen computers beschikbaar waren in de mediatheek.
Voor elke toets waren interactieve meerkeuzetoetsen (met aanwijzingen en uitleg) beschikbaar om te oefenen. Ook konden opgaven en antwoorden (met uitleg) van examenopgaven worden gebruikt. Hieronder staat een voorbeeld van een antwoord op een examenvraag 41 uit 2004, rood is de uitleg. Bij het antwoord stond ook wat de gemiddelde score was geweest van mijn leerlingen die het echte examen hadden gemaakt . In dit geval was dat 0,3p van de 1p die je kon halen. Het was dus een hele lastige vraag geweest.
Leerlingen kregen per e-mail Bio-Info met actuele informatie. Zo stond erin op welk moment ze practica hadden (deze waren namelijk verplicht) of een ingelaste verplichte klassikale les. Ook stond er informatie over de toetsen in, o.a. de verdeling van het aantal vragen per onderwerp en het aantal te behalen punten. Na elke gemaakte toets kreeg een leerling via e-mail een overzicht van al zijn behaalde cijfers en de berekening van zijn eindcijfer. Hiernaast staat een voorbeeld van een leerling van 5 vwo.
In 2005 kwam de directie op het idee om gebruik van ICT door docenten te stimuleren. Iedere docent moest een aantal toetsen doen op ICT-gebied om aan te tonen dat hij bekwaam was. Dit werd het Digitale Rijbewijs Zwijsen genoemd. Een jaar ervoor had ik aan al mijn collega's laten zien hoe ver ik was met het toepassen van ICT in mijn lessen. Het maken van deze toetsen leek mij overbodig, maar de directie dacht daar anders over. Ik voelde mij geschoffeerd. Aan de Veghelse kampioen schoolslag vraag je ook niet om nog een keer water te trappelen en gekleed te zwemmen. Ik heb de conrector verteld dat ik alle ICT-activiteiten zou stoppen als ik verplicht werd om de toetsen te maken. Het resultaat was dat ik de simpele toetsen maar gemaakt heb (het bewijs staat hier naast).
Ieder nadeel heeft ook zijn voordeel. Indirect werd het ICT-onderwijs door dit directiebeleid gestimuleerd. Ik gebruikte geen beamer meer en mijn leerlingen hadden geen computer meer nodig. Dus was het tekort aan computers in de mediatheek en beamers in één keer opgelost. Zelf kon ik het wat rustiger aan doen.
Op internet had ik een website met toetsen, examenopgaven en samenvattingen (zie afbeelding rechts). Gedeeltelijk hetzelfde als wat ik op het computernetwerk van de school had staan. Deze website trok veel bezoekers, vooral als er toetsen aankwamen. Uitgeverij Malmberg toonde belangstelling voor wat er op mijn website stond. Na een aangenaam gesprek werd mij aangeboden, om tegen een ruime vergoeding, alles van de website te bewerken voor de methode: "Biologie voor Jou", de meest gebruikte methode op de middelbare school. Mijn eigen website moest dan wel van het net af. Uit reacties op internet bleek dat veel bezoekers dat niet leuk vonden, maar via de kosteloze site van "Biologie voor Jou", konden ze toch nog gebruik maken van mijn toetsen.
Met de oefentoetsen voor de onderbouw is nooit meer iets gedaan omdat ik toe nog alleen les gaf in de hoogste klassen van het vwo.
Na de invoering van de tweede fase gingen de leerlingen van 4 vwo ieder jaar met de bus een dag naar Parijs. Een vermoeiende bezigheid omdat de bus 's nachts reed en van slapen kwam dus niets. Op de foto links zit ik op een terrasje in Montmartre (een leraar aan het werk). Van deze excursies heb ik foto's gemaakt die ook op mijn website staan bij steden. Natuurlijk heb ik ook de Sacré-Coeur gefotografeerd. Ik had een automatische digitale camera en wilde ook de binnenkant van de kerk fotograferen. Je krijgt geen goede foto's met een flits, dus moest ik de flits iedere keer uitzetten. Dit ging goed todat ik het op een bepaald moment vergat. Een ordebewaker zag het flitslicht en kwam op mij af. Het bleek dat ik helemaal niet in de kerk mocht fotograferen, een verbod waar echter niemand zich aan hield, maar ja ik was betrapt en moest met hem mee naar de achterkant van de kerk. Daar waren twee enorme deuren die aan elkaar vast zaten met een rood koord. Het koord werd losgemaakt, de deuren zwaaiden open en ik werd de kerk uitgezet. De foto's van de binnenkant van Sacré-Coeur staan niet op mijn website, ze waren niet echt scherp, maar rechts staat er wel eentje.

Nadat ik gestopt was met de toepassing van ICT in mijn lessen, heb ik mij meer gericht op een onderdeel waarbij ICT niet gemakkelijk toepasbaar is: het practicum. Omdat de leerlingen meer lessen moesten krijgen, werd het aantal uren per week in de 5de klas uitgebreid tot vijf. Een vast uur in een practicumlokaal was mogelijk, zodat elke week een practicum gegeven kon worden. Voor een practicum had je goede handleidingen nodig. Deze had ik vroeger al gemaakt. Voor bv. het practicum kalfshart was ik zelf gaan snijden en ondertussen schreef ik precies op wat ik deed en wat er te zien was. Ik hoopte dan dat als de leerling de handleiding nauwkeurig volgde, hij alles zou zien. Een leerling hoefde niet zelf iets te bedenken en dit was bij een kalfshart ook niet nodig. In de tweede fase was het de bedoeling dat ook andere practica werden gedaan. Practica waarbij een handleiding juist overbodig was. Op de foto rechts sta ik bij een ligusterheg met leerlingen van 5 vwo. Bij dit practicum moesten ze een hypothese (veronderstelling), die ik ze gegeven had, bewijzen met een proef die ze zelf moesten bedenken. De hypothese was dat een ligustertakje water opzuigt doordat er water verdampt via zijn bladeren. Een simpele proef die in een brugklas met een eenvoudige handleiding gedaan kan worden. Toch vonden leerlingen uit 5 vwo dit een moeilijke opdracht. Vaak maakten ze het zichzelf veel te moeilijk.
Op het Zwijsen College heb ik les gegeven aan 4502 leerlingen. Er waren niet veel leerlingen die voor problemen zorgden, zeker de laatste 15 jaar. Lesgeven was zelfs leuker geworden. Eigenlijk was ik van plan om tot 65 jaar door te werken, maar toch heb ik de laatste 1,5 jaar niet afgemaakt. Dit kwam o.a. door de zeer slechte werkomstandigheden. Vroeger werd het rooster gemaakt door collega's die begrepen welke gevolgen een slecht rooster op het onderwijs had. De laatste jaren maakte iemand zonder ervaring in het onderwijs, het rooster en dit was wel te merken. De ene dag 1 uur lesgeven en de andere dag 8 uur achter elkaar, werd op mijn leeftijd een onwerkzame situatie. Naast het lesgeven werden allerlei verplichte taken bedacht die er vroeger niet waren. Vergaderen (overleg) werd belangrijker dan het lesgeven. Ik moest een POP maken, een persoonlijk ontwikkelingsplan, dat geëvalueerd moest worden. Allemaal redenen om eerder met pensioen te gaan. Gelukkig kon ik mijn energie ook kwijt op andere manieren zoals te zien is op de foto's hieronder. Hardlopen met zo nu en dan een halve marathon en wandelen in de natuur. Op lange donkere winteravonden houd ik mij met een andere hobby bezig: het kijken naar films. Van jongs af aan ging ik veel naar de bioscoop. Tegenwoordig heb ik echter mijn eigen verzameling van meer dan 800 films op DVD. Ik kijk niet alleen naar nieuwe aankopen maar ook naar oudere films die ik al vaker heb gezien. In mijn verzameling bevinden zich ook The Sound of Music en Westside Story, films die ik niet in de bioscoop heb gezien.

Van mijn jeugd heb ik meer foto's waar ik op sta dan van de periode na mijn trouwen. Ik maakte bijna altijd zelf de foto's en sta er dus niet op. Daarom ben ik blij met de foto rechts die wel kenmerkend voor mij is. Hij is gemaakt op de 50 jarige bruiloft van mijn broer. Er stond een skelter en ik kon de verleiding niet weerstaan. Op dat moment was ik weer het jongetje dat op zijn eigen gemaakte zeepkist door de straat reed.

De laatste foto zou ik vroeger een pasfoto hebben genoemd, maar tegenwoordig is hij daar niet meer voor geschikt. Op de foto zijn wel beide oren zichtbaar (dat kan als je uitstekende oren hebt), maar dit is niet voldoende. Voor een echte pasfoto moet je recht in de lens kijken. Bovendien moet je neutraal kijken, er mag geen glimlachje vanaf. Om af te sluiten leek deze foto mij leuker. Er staat een persoon op, die met een tevreden glimlach terugkijkt op zijn leven.
april 2011
|